Pleun van Bergen is bang dat ze een burn-out krijgt door haar werk als zedenrechercheur. © Martijn Stoof (Pexels)
Bij de zedenrecherche op je vierentwintigste: voor Pleun van Bergen* is het werkelijkheid. Haar werk brengt risico’s met zich mee, maar haar grootste angst is niet het gevaar; het is het krijgen van een burn-out.
Door: Ruth Mulder
Al van jongs af aan droomt ze van een succesvolle carrière, al ligt die aanvankelijk niet bij de politie. Haar grote wens is om geld te verdienen als profvoetballer. “Toch kwam er een moment waarop ik dacht: ik wil bij de politie.” Hoe langer die gedachte in haar hoofd rondspookt, hoe serieuzer ze het idee neemt. Op haar twintigste zet ze de stap en meldt ze zich aan bij de politieacademie.
Confrontatie met de zieke geest
Van Bergen leert het politievak op straat. En daar vindt ze haar motivatie voor de functie die ze vandaag de dag draagt. “Zedenzaken bleven me altijd bij. Ik heb gezien hoe kwetsbaar jonge meiden kunnen zijn en daar wilde ik me gericht voor inzetten.” Ze zoekt het hoger op; de zedenrecherche in Zwolle.
Maar al vanaf het begin kwam de impact van haar nieuwe baan hard binnen. Verkrachting, misbruik en kinderporno zijn termen die dagelijks haar oren bereiken. “Ik moest enorm wennen. Vooral aan de confrontatie met de zieke geest van sommige criminelen.”
Het werk dat ze nu doet vindt ze een groot verschil met de tijd die ze als blauw op straat doorbracht. “Dat werk is ook gevaarlijk, maar op een andere manier. Je duikt hier in zaken waar je jezelf niet op kunt voorbereiden. Dat maakt het gevaarlijk voor je mentale gesteldheid.”
Waar is de uitknop?
Soms kijkt Van Bergen om zich heen en vraagt zich af of ze goed omgaat met de heftigheid van haar beroep. Vooral bij langdurige zaken merkt de jonge rechercheur de impact van haar vak. Ze vindt het lastig om thuis te komen en haar werk uit te zetten. “Als er een verkrachting is geweest, maar geen dader is gevonden, dan zit ik constant in spanning of er mogelijk een nieuw slachtoffer zou vallen.”
De spanning die het werk met zich meebrengt, maakt het belangrijk om te blijven praten, zo is haar meegegeven. Maar dat klinkt makkelijker dan het is wanneer je je handtekening onder de beroepsgeheimverklaring hebt gezet.
Van Bergen is betrokken bij huiszoekingen wanneer iemand verdacht is van het bezit van kinderporno. Als het team een telefoon of laptop vindt en zij als eerste rechercheur ter plaatse is, bekijkt ze de beelden. “Je klikt en denkt: ik heb geen idee wat ik nu ga aantreffen. Maar ik moet kunnen bevestigen of er sprake is van een strafbaar feit. Dus moet je wel.” Haar motivatie drijft haar: ze moet en zal zich inzetten voor deze kwetsbare doelgroep.
“Na zulke dagen neem ik mijn werk onvermijdelijk mee naar huis en kom ik er niet onderuit om mijn partner bij mijn gevoel te betrekken. Zonder namen of details te noemen, schaad ik niets of niemand.” Door het delen van haar gedachten kan haar omgeving een vinger aan de pols houden. Toch gaat het ook heel vaak mis bij werknemers en worden problemen niet gesignaleerd.
Mentale gevolgen
Dat dit zo is, weet Van Bergen zeker. Ze hoeft alleen maar op de werkvloer te kijken. De signalen van collega’s om haar heen zijn namelijk zorgwekkend; velen lijden aan PTSS of vallen uit door een burn-out. “Ik wil benadrukken dat de politieachtergrond van mijn collega’s een grote rol speelt. Op straat maak je onverwachte levensbedreigende situaties mee, en die draag je altijd bij je.”
Dat haar mede-onderzoekers mentale klachten hebben, is voor Van Bergen begrijpelijk. Want een hoge werkdruk, weinig ervaren collega’s en in de weekenden piketdiensten draaien, komt nog bovenop de confronterende inhoud van haar werk. “Er zijn nachten dat ik wakker lig en bang ben dat ik de volgende zou zijn die eruit vliegt met een burn-out. Ik heb geen klachten nu, maar hoe houd ik dat zo?”
‘Als je hulp krijgt is het al te laat’
Op veel ondersteuning kan Van Bergen niet rekenen. Er is geen psychische begeleiding binnen het werkveld en er was geen waarschuwing vooraf. Slechts ademhalingsoefeningen die je op school leert als je je gespannen voelt. “Het is niet goed dat er zo weinig aandacht voor dit deel van ons werk is. Maar ik denk dat je nooit voorbereid genoeg bent op dit vak.” Want wat de dag je gaat brengen, dat weet je met de functie als zedenrechercheur al helemaal niet.
Maar wat is dan de oplossing? Volgens haar moet die vooral van bovenaf komen. Tot nu toe zijn er, naast gesprekken met een maatschappelijk werker, nauwelijks mogelijkheden voor ondersteuning. En voor de collega’s die uiteindelijk wel begeleiding krijgen, komt die hulp pas wanneer de klachten al te ver gevorderd zijn.
Oog op de toekomst
Van Bergen denkt dat het een wereld van verschil kan maken als er meer aandacht is voor de mentale problematiek die het werk met zich mee kan brengen. “Dit is het vak waarvoor ik heb gekozen en dat ik met heel veel liefde uitoefen. We doen iets goeds en de heftigheid die daarbij komt kijken, is onderdeel van dit beroep. Daar kunnen we niets aan doen, maar gepaste zorg om te voorkomen dat werknemers uitvallen, lijkt mij op zijn plaats. ”
*Pleun van Bergen is een pseudoniem. Door het gevaar dat het werk van Van Bergen met zich meebrengt wil ze anoniem opgevoerd worden. Haar echte naam en gegevens zijn bekend bij de redactie.
Maak jouw eigen website met JouwWeb