Agent Dick werd lange tijd getekend door PTSS: ‘Ik voelde me als een geschudde colafles met de dop erop’

Gepubliceerd op 26 december 2025 om 11:59

Oud-politieagent Dick Kleijn werd door zijn werkgever aan zijn lot overgelaten toen hij PTSS opliep. © Eigen foto

Jarenlang worstelt agent Dick Kleijn (61) met klachten die hij niet kan plaatsen. Pas vijftien jaar na het incident, waarbij een verdachte hem probeerde te verstikken, valt de diagnose: PTSS. Nu staat hij collega’s uit de hulpdienst bij die mentaal zijn vastgelopen. Steun die hij zelf moest missen.


Door: Ruth Mulder

“Als de gevolgen van mentale problemen in je zitten, zal je die altijd meedragen”, zegt Kleijn. Maar met de uitspraak Het is wat het is, die hij zo vaak heeft gehoord in zijn werkende leven, neemt hij geen genoegen. Er is meer aandacht nodig voor werknemers die uitvallen; dat weet Kleijn maar al te goed. Daarom zet hij zich ervoor in.

Waar het allemaal begon
Het is eind 1993 wanneer Kleijn de overstap maakt van Defensie naar de politie. Opnieuw een heftige wereld, maar door zijn achtergrond is hij wel iets gewend. Maar wanneer hij in 1994 begint op het bureau in Almere, beseft hij al snel dat hij zich niet had kunnen voorbereiden op de problematiek die hij daar tegenkomt: interne onveiligheid.

Kleijn doet zijn werk zo goed mogelijk. Maar hij is zich ervan bewust dat alles wat hij ziet en meemaakt, wordt opgeslagen in zijn “eigen harde schrijf”. En praten over gebeurtenissen, dat doen ze niet binnen het team. “We vertrouwden elkaar niet, dus je kwetsbaar opstellen zat er niet in.” Dick staat er alleen voor. 

Daar werd hij hard van. Termen zoals “niet lullen, maar poetsen" vormden de basis van de mentaliteit, zowel bij Kleijn als in de politiecultuur. “Bij je eerste lijkvinding ging je taart halen, zo ging dat.”

Het kernincident
Kleijn weet zich staande te houden, totdat hij in 1999 een melding krijgt dat een collega assistentie nodig heeft. Met spoed gaat hij ter plaatse. Daar treft hij een aangehouden verdachte aan die fel in verzet gaat. Er ontstaat een hevige worsteling, maar uiteindelijk weten Kleijn en zijn collega de man onder controle te krijgen en in de politieauto te plaatsen.

Maar op weg naar het bureau gaat het alsnog mis. De verdachte probeert Kleijn, die naast hem achterin zit, een kopstoot te geven. Die weet hij te ontwijken, maar vrijwel meteen daarna zet de verdachte zich af tegen de deur. Met zijn volle gewicht duwt hij Kleijn in de hoek, waardoor hij in een longverstikking terechtkomt.  “Voordat het lichtje uitging, kon ik alleen maar denken: is dit hoe ik doodga?”

Maar Kleijn kan rekenen op zijn teamgenoot, die de deur van de auto opentrekt waardoor de verdachte zijn kracht verliest. Kleijn herpakt zich en samen brengen ze de man naar de cel. “Als ik daar nu aan terugdenk is alles zwart. Ik weet het gewoon niet meer.”

‘Val ons er niet mee lastig’
Ook na de gebeurtenis werkt Kleijn door. Maar hij voelt zich een ander persoon. De verdachte die hem een flink trauma heeft bezorgd, heeft namelijk aangifte gedaan. Hij zou letsel hebben opgelopen tijdens zijn aanhouding en Kleijn is aangemerkt als de veroorzaker.

De stress en de zelfverwijten nemen toe. “Nachtenlang lag ik wakker. Als ik veroordeeld zou worden, zou ik mijn baan verliezen, met alle gevolgen van dien.” Tegelijkertijd verwijt Kleijn het zichzelf dat de aanval zo ver kon komen. Hij deed toch aan vechtsport?

De gebeurtenis vindt geen plek, en de gevolgen zijn groot. Kleijns lichaam schreeuwt om hulp: hij zweet, is vaker ziek en voelt voortdurend een onderhuidse angst, waardoor hij de hele dag op scherp staat. Maar aan PTSS denkt hij niet. “Die term kenden we toen nog helemaal niet binnen de politie.”

Als Kleijn tijdens arrestaties merkt dat hij niet meer durft op te treden met de harde hand, besluit hij aan de bel te trekken bij zijn chef. “Ik hoop dat je bij een vakbond zit. Val ons er niet mee lastig”, zo luidde het antwoord. Duidelijke taal.

Opluchting bij de diagnose
Hoewel het vijftien jaar later is en Kleijn nooit meer iets heeft gehoord over de aanklacht die tegen hem zou lopen, zijn de lichamelijke klachten nog steeds aanwezig. “Ik voelde me als een geschudde colafles met de dop erop.”

Uiteindelijk stapt hij naar een psycholoog. De diagnose was duidelijk: PTSS in een laat stadium. Een schok was het niet; Kleijn noemt het eerder een opluchting. “Ik schoot vol en vroeg direct wat we eraan konden doen. En of we wel iets konden doen, want het schijnt dat je PTSS als niet-aangeboren hersenletsel kunt beschouwen.”

Beschadigde hersendelen
Lotte van Eijden is verpleegkundige op de afdeling neurorevalidatie van Beatrixoord in Groningen. Ze verzorgt mensen met niet-aangeboren hersenletsel, vaak veroorzaakt door een infarct of hersenbloeding. Ze weet dat PTSS het brein inderdaad ook kan veranderen. “Het schaadt de hippocampus en de prefrontale cortex, twee belangrijke hersendelen die een centrale rol spelen bij geheugen, emotieregulatie en controle."

“Door de schade kunnen geheugenproblemen, slechte emotieregulatie, flashbacks en concentratieproblemen ontstaan.” Volgens Van Eijden kunnen mensen met PTSS daarnaast prikkelbaar zijn, slecht slapen en angstig worden door de schade die het trauma heeft aangericht.

Zorgen voor elkaar
Kleijn gaat twee jaar lang in therapie en werkt in die periode minder. Dat werpt zijn vruchten af. Het oude zeer heeft hij een plek kunnen geven, al blijft het wrang dat hij vanuit de politie nooit steun heeft gekregen. Juist daarom zet hij zich nu met volle overtuiging in. Naast een rustige functie binnen de politie helpt Kleijn collega’s met mentale klachten die tegen het systeem aanlopen wanneer zij als gevolg daarvan uitvallen.

Maar daar blijft het niet bij. De bomen op het land van zijn boerderij stelt hij beschikbaar. “Vele collega’s van de oude garde komen langs. Dan delen we verhalen en verdriet.” Het doel is om die verhalen te koppelen aan een boom waarop je een QR-code kunt scannen. “Je zult uitkomen bij een persoonlijk verhaal dat betrekking heeft op de heftigheid van het beroep en de gevolgen. Het laat hopelijk de ernst van de situatie zien, maar het voor nu wil ik gewoon ruimte aan hun verdriet geven. En hoop ik dat dit voor opluchting zorgt.”

Terugkijkend vindt Kleijn dat de politie meer moet waarschuwen voor de gevolgen die het beroep mee kan brengen. Maar het belangrijkste is dat er meer begrip en interne veiligheid komt. "Hoe tegenstrijdig het ook klinkt: bij de politie werken is het mooiste wat er is, daarom ben ik ook nooit weggegaan. Maar zorg voor elkaar!”

Maak jouw eigen website met JouwWeb